mijn Triskel
mijn boeken mijn geebden mijn verhalen mijn schilderijtjes

Mijn verhalen en gedichten


De rijnreis - een uitje boot van bewonersvereniging met woonvorm voor 25 jarige Geuloord

Tussen al het feestgedruis van 25 vroege herfstjaren en twee volle handen jubilarissen met een vinger personeelslid trekt in de prille ochtenduren van 30 september 1998 een bondkleurend gezelschap, aan de ene kant Geuloord-personeel en bewoners en aan de andere kant Kröppelke-gangers en zijn vrijwilligersgroep, op pad met twee vogelige touringcars naar de Rheinland-Pfalz. We gaan de autobaan op in Rothem. Een klein halfuur oostwaards later gaan we bij Bocholtz de Nederlands-Duitse grens over. Na Aachen gepasseerd te zijn, vervolgen we deze weg tot in Köln. Het is beginnen te regenen. Hier steken we de rivier de Rijn over. Nu zetten we koers naar oost-zuidelijke richting om uit te komen in Rüdesheim, waar onze opstapplaats voor de boot is. Het water komt en het water gaat, van harde druppels tot zachte druppels. Koblenz laten we rechts liggen en als we zijn aangekomen bij het plaatsje Limburg, rijden we de deelstaat Hessen binnen. In deze deelstaat ligt ook Wiesbaden, Mainz en Rüdesheim. Bij Wiesbaden gaan we van de autoweg en vervolgen we onze weg langs de zeer brede Rijn en komen we aan bij ons eerste eindpunt van de dag, Rüdesheim. En het regent nog steeds. Vanuit ons oogpunt begint hier in Rüdesheim de Bovenrijnse Laagvlakte die als een soort T-figuur tussen de bergen ligt, waar de Rijn midden door stroomt. En dan moet je Rüdesheim situeren in het linker bovenbeen van het T-figuur. Bij het rechterbeen ligt Bad Nauheim en onder aan het rechte been eindigt paar honderd kilometer stroomopwaarts bij de 557 meter hoge Kaiserstuhl. Bij Kehl wordt de laagvlakte opgedeeld in een Frans en Duits gedeelte, de Rijn dient hier dan als grens tussen Duitsland en Frankrijk. Bij het Zwitserse Basel draait de rivier in oostelijk richting en vormt dan voor een stuk de grens met Duitsland. Bij de Bodensee buigt hij weer zuidwaarts waar hij wat verder zich splitst in de Voor - en de Achter Rijn waar die dan zijn twee bronnen heeft.

Als je de voorafgaande alinea hardop gezegd had en opgenomen had op een cassettebandje kon je het terugspoelen in Noordelijk richting om weer in Rüdesheim uit te komen. Dat is niet het geval, dus gaan we van de twee Zwitsers bronnen, een uit de Voor-Rijn en twee uit de Achter-Rijn en langs de Bodensee naar Basel, van Basel naar Kehl, en van Kehl naar Frankfurt en dan tenslotte naar het eerste eindpunt van de dag, Rüdesheim. En het regent nog steeds. Omdat we te vroeg zijn en omdat het regent, blijven we maar in de bus. In de bus worden er nu dan maar gezellig broodjes en drankjes genuttigd. Dan is het tijd om naar de boot te gaan. De bussen worden geleegd bij de spoorwegovergang. Een tiental mede-Rijngangers moest wachten omdat er een trein langs kwam. De bemanning van de boot Αde Loreley≅, waar wij mee zouden gaan reizen, werd een beetje ongeduldig en wilde vertrekken, maar dankzij Patrick en Hub zijn ze toch niet weggevaren. Iedereen was nu aan boord en de Loreley kon vertrekken. Eerst mogen we samen gaan smullen, koffie met gebak, terwijl we dit gebruiken kunnen we genieten van de mooie berggezichten. We varen stroomafwaarts richting Koblenz en blijven tot in Boppart op de boot. In tegenstelling van de Bovenrijnse laagvlakte met in de verte bergen van 1.100 tot 1.400 meter zijn er hier direct langs het water links en rechts bergen variërend van 500 tot 700 meter. Het gaat van de ene aanlegsteiger naar de andere.

We varen langs schilderachtige landschappen gevuld met dorpen, kastelen, bomen, rotsen, bergen, mensen en water. Op de Loreley wordt door luidsprekers verteld, in allerlei talen, waar we langs varen. Zo ook komen we langs het plaatsje Loreley. Dit is de nauwste doorgang op de Rijn, met aan weerskanten rotsen. Loreley was ook een prinses die een paar eeuwen geleden hier leefde, het hoe en het wat van Loreley is een mythe. Dat vindt ik niet gek, in dit sprookjesachtig decor. Ik hou het binnen niet meer uit, ik moet naar buiten. Bovenop de Loreley-boot kun je komen met de rolstoel, had ik gezien toen ik op de boot kwam. Boven was er een overkapping waar we onder konden schuilen. Van de zachte druppels tot de harde druppels, het water gaat en het water komt. Als we in de buurt zijn van Boppart ga ik uitgewaaid terug naar de begane grond van de boot.

In Boppart komen we weer met de beiden benen op de grond. Als we allemaal verzameld zijn, zijn Dick en een paar vrijwilligers verdwenen. Ze waren al vast naar het restaurant gegaan, bleek. Het probleem is, waar is het restaurant. Niemand weet het, uiteindelijk vinden we het. We hadden de eer om door de keuken naar binnen te mogen gaan. Het eten was lekker en de sfeer zat er goed in aan tafel. Na goed getafeld te hebben, keren we terug naar de bussen die ons in Boppart komen halen en ons terug naar huis vliegen als een van der valk. Bij het wegrijden uit Boppart komt het personeel van het restaurant de Eberthor ons uitzwaaien. In de bus zit de stemming er goed in; we hadden gevraagd of we muziek mogen krijgen, waar wij ons dan op kunnen laten gaan, fuifbeest van dienst is Mi-ja Piters. De terugreis verloopt snel, de Nederlands grens komt dichter en dichter bij. Toen we er plots over waren. Nu zijn we binnen het halfuur terug, thuis! Voor ik het weet, lig ik in bed en droom ik van prinses Loreley. Ik wil iedereen bedanken: personeel en bewoners van de woonvorm Geuloord en vrijwilligers en leden van de Bewonersvereniging 't Kröppelke, die voor en/of achter de schermen deze toffe activiteit lieten slagen. Tot het volgend schoolreisje.

September 1998

Edwin Vanmontfort